Competentiegericht leren, het 'nieuwe leren'; het zijn kreten waar iedereen een eigen inhoud aan geeft. Daarom ben ik zo blij met het leerlijnenmodel. Dit is een didactisch model dat in het beroepsonderwijs uitstekend te gebruiken is om een leerplan op te funderen dat 'competentiegericht' is, zoals de overheid dat van het beroepsonderwijs vraagt. Het goede aan het model is dat het lege begrip 'competentie' juist helemaal vermeden wordt. Het is gericht op 'beroepsbekwaamheden' en daarmee is het transparant en eenduidig.
Het is ontwikkeld door onderwijskundigen van de BDF Adviesgroep. Sinds de eerste keer dat het is vastgelegd in een boek, in 1999, is het al op een hele lijst mbo's en hbo's ingevoerd. Ik heb het model sinds december vorig jaar helpen invoeren bij twee mbo's. Met veel hersengeknars weliswaar, maar ook met steeds groeiend enthousiasme.
Ogenschijnlijk is het leerlijnenmodel helder als glas. Ga je er eenmaal onderwijs mee ontwikkelen, dan merk je wat een ijsberg aan onderwijskundige know how er onder de oppervlakte ligt. In dit stuk wil ik voor mensen die wel met onderwijs te maken hebben, maar het leerlijnenmodel nog niet kennen, aangeven wat de kernpunten ervan zijn, en waarom ik er zo enthousiast over ben.
Beroepstaak als uitgangspunt voor het ontwerp van onderwijs en voor het aansturen van het leren
Leren begint altijd ergens en het moet ergens naartoe. De lerende moet een ontwikkeling doormaken. Maar waarin? Niet in het reproduceren van theoretische kennis, wel in het kunnen uitvoeren van een taak. In het beroepsonderwijs leer je taken uit te voeren die bij een beroep horen. Een tandartsassistente moet het dossier van een patient actueel en volledig kunnen houden, kunnen assisteren bij behandelingen, voorlichting geven over leefregels na de behandeling, en nog zowat. Deze beroepstaken zijn beschreven in kwalificatiedossiers voor het mbo en in beroepsprofielen in het hbo. De beroepstaak zelf is dus het uitgangspunt voor het leren.
Toen ik onderwijskunde ging studeren en bij een educatieve uitgever werkte, tien jaar geleden, bestond competentiegericht leren nog niet. Wat er geleerd moest worden, werd uitgesplitst in kennis, vaardigheden en houding en daar werden dan allemaal aparte leerdoelen voor geformuleerd. Het kwam erop neer dat er bijvoorbeeld bij een opleiding maatschappelijk werk een inleiding psychologie werd gegeven. Ook de leerdoelen op vaardigheidsniveau hadden betrekking op cognitieve vaardigheden, bijvoorbeeld twee theorieën met elkaar vergelijken. Wat je met die kennis moest als je de beslissing moest nemen of een kind uit huis geplaatst moet worden, daar hadden de docenten, en dus ook de studenten eigenlijk geen aandacht voor.
Het leerlijnenmodel dwingt je om niet vanuit de theorie te redeneren die geleerd moet worden, maar vanuit de beroepstaak. Wat moet de student straks in de praktijk doen, en hoe kan hij laten zien dat hij dat doet 'met verstand'. Want het gaat altijd om meer dan alleen een serie handelingen uitvoeren in de juiste volgorde. Een student, en ook een leerling in het vmbo, moet begrijpen waarom hij dat zo doet. En daar is natuurlijk wat theoretische kennis voor nodig, maar die is altijd in verbinding met de praktijk.
Leren is opdrachten uitvoeren
Net als in de beroepspraktijk krijgen studenten die opgeleid worden volgens het leerlijnenmodel opdrachten. Een tandartsassistente is straks ook de hele dag bezig om opdrachten uit te voeren. Opdrachten die van de tandarts komen, van een patiënt, of opdrachten die zij zichzelf geeft, omdat ze vindt dat het nodig is om nu de voorraad eens te gaan aanvullen of de balie op te ruimen. Dus dan is het logisch dat docenten ook met opdrachten komen. Maar dan opdrachten die zinvol zijn en uit de praktijk komen. Dus niet: 'schrijf een werkstuk over moslims in Nederland' maar 'schrijf een voorlichtingsprotocol waarmee de therapietrouw van moslims verhoogd kan worden'.
De kracht van opdrachten
Waarom is het nou zo belangrijk dat het leren altijd begint bij een zinvolle opdracht? Wie de leercirkel van Kolb kent, kan dat intuïtief al invullen. Als je een nieuwe vaardigheid gaat leren, bijvoorbeeld brood bakken:
- Bepaal je eerst of het witte bolletjes moeten worden of een volkoren brood
- Dan zoek je een recept
- Haal je de spullen die je nodig hebt bij elkaar
- Voer je het recept stap voor stap uit
- Constateert bijvoorbeeld dat het redelijk smaakt, maar niet goed gerezen is
- Je probeert uit te vinden waarom het niet gerezen is
- Besluit dat het deeg niet goed gekneed was
- En doet het nog een keer maar dan beter.
Dus:
- Je geeft jezelf een opdracht
- Zoekt een werkmodel voor de aanpak
- Probeert het uit en ervaart hoe het gaat
- Reflecteert op aanpak en resultaat
- Pakt er wat theorie bij en verbindt deze aan je ervaring
- En je probeert het opnieuw.
En zo moet het dus in het onderwijs ook gaan. Ook hier moeten we studenten de mogelijkheid bieden in een zo realistisch mogelijke context met beroepstaken te oefenen en daarvan te leren, gevoed door theorie en feedback van de docent, zodat het een volgende keer beter gaat. Dus leren vanuit opdrachten is de krachtigste vorm van leren.
Duidelijke afspraken over het leren
Er is nog een tweede reden waarom het onderwijs geven vanuit opdrachten zo goed is. Het biedt helderheid aan alle partijen. De docent vervult de rol van opdrachtgever. (De opdrachtgever kan overigens ook van buiten komen, uit de praktijk.) De opdracht komt voort uit een concrete situatie. Er is een probleem dat om een oplossing vraagt, een patiënt die geholpen moet worden, een wens waaraan gehoor gegeven moet worden. De student moet een resultaat opleveren, een adviesrapport, een tevreden patiënt, een ontwerp voor een nieuwe wachtkamer, enzovoort. De opdrachtgever stelt eisen aan het resultaat: specificaties. De student weet wat van hem gevraagd wordt en aanvaardt de opdracht. Als de student resultaat oplevert, beoordeelt de opdrachtgever of het aan de specificaties voldoet, en of zijn probleem daarmee opgelost is. Zo niet, dan moet de student her resultaat zien te verbeteren.
Zo veel duidelijker en motiverender dan de opdracht om een boek te lezen, de vragen aan het eind van het hoofdstuk te maken en een tentamen te leren. Het effect van het leren voor een kennistoets is zo minimaal. Waarom zouden docent en student daar hun energie in steken?
Afnemende sturing
Leren vanuit opdrachten maakt het mogelijk om studenten steeds zelfstandiger te laten werken door de sturing die ze krijgen te verminderen. Aan het begin van de opleiding:
- is de casus gegeven
- is het resultaat omschreven in specificaties
- is de manier van werken deels voorgeschreven
- wordt sturing gegeven aan de planning van de uitvoering
- zijn bronnen en hulpmiddelen gegeven
- en is de begeleiding tijdens de uitvoering intensief.
Aan het eind van de opleiding is alleen nog de casus gegeven en kunnen de studenten zelfstandig tot een oplossing komen. Uiteraard is de docent altijd klankbord. Zelfstandig werken is iets anders dan: 'Zoek het zelf maar uit, ik weet het ook niet.' De docent kent de beroepstaak, kent de normen die aan de uitvoering van het beroep gesteld worden en op welke kennis die gebaseerd is.
Nu nog een leerplan
Het leerlijnenmodel vindt zijn basis dus in het leren aangestuurd door opdrachten. Hoe bouw je dan een opleiding op? Is dat een kwestie van alle beroepstaken omzetten in opdrachten die je achter elkaar plakt met steeds minder sturing? Ja deels wel, behalve dat
er wat meer structuur nodig is. De opdrachtenworden uitgezet op leerlijnen:
- Ervarings-reflectieleerlijn: leren in de stage
- Integrale leerlijn: leren in projecten en simulaties
- Conceptuele leerlijn: leren in cursussen
- Vaardighedenleerlijn: leren in trainingen
- Studieloopbaanplanningssleerlijn: leren de eigen loopbaan te sturen
In al deze leerlijnen leren studenten dus in opdrachten, maar wel steeds een ander soort opdrachten. Onderstaand schema is een visualisatie van het ontwikkelen van onderwijs in het leerlijnenmodel. Als we kijken naar de verschillen tussen de leerlijnen ligt de focus van de uitvoering en de beoordeling steeds op een andere plek in dit model. Maar eerst wat uitleg over de termen werkmodel en Theorie.
Download schema_leerdynamiek.gif
Werkmodellen en Theorieën
Om een beroepstaak uit te voeren heb je een werkmodel nodig. Om brood te bakken heb ik een recept nodig, want ik kan het niet uit mijn hoofd. Mijn bakker hoeft voor het brood dat hij elke dag bakt al lang niet meer in een recept te kijken. Zijn lichaam en zijn hersens hebben het werkmodel voor brood bakken 'opgezogen'. Vraag je hem in welke stappen hij van losse ingrediënten tot geurige bollen komt, zal hij bewust moeten reconstrueren.
Een werkmodel is dus een stappenplan, een serie handelingen die in een vaste volgorde moeten worden uitgevoerd. Of een reeks beslissingen die je moet nemen om een uitkomst te bepalen. Dat kan verschillende verschijningsvormen hebben. In de gezondheidszorg wordt veel met protocollen gewerkt: vaste stappen om te bepalen hoe iemand moet worden voorgelicht, hoe een diagnose gesteld moet worden of hoe een geneesmiddel bereid moet worden. In het leerlijnenmodel noem je de werkmodellen 'de kleine t'.
Zo'n werkmodel komt niet uit de lucht vallen. Het is gebaseerd op Theorieën. Dat zijn dingen die wetenschappers produceren. Wie echt helemaal wil begrijpen hoe je het beste brood bakt, zal zich moeten verdiepen in een beetje scheikunde en natuurkunde, want dan snap je wat gist doet, welke temperatuur het beste is en hoe die luchtbelletjes ontstaan. Dan kun je vervolgens met de variabelen, hoeveelheid gist, tijd en temperatuur gaan spelen om je brood te verbeteren.
Onder Theorie kun je overigens ook professionele normen scharen, of wet- en regelgeving waarbinnen een beroepsbeoefenaar zijn werk doet. De student verwerft zo tijdens zijn opleiding ook een referentiekader om dilemma’s op te lossen. Bijvoorbeeld wat te doen met een streng veganistische patiënt die zijn medicijnen niet neemt omdat er een dierlijke grondstof in verwerkt is?
Zo zal een tandartsassistente ook Theorieën moeten leren om een werkmodel beredeneerd te kunnen toepassen, ervan af te wijken als de casus dat nodig maakt, en zelfs eigen werkmodellen te ontwikkelen voor nieuwe taken.
Ervarings-reflectieleerlijn: stage
In de stage is de casus de beroepscontext waarin de student werkt. Opdrachten dienen zich vanzelf aan doordat de student meedraait in een praktijk waarin eisen worden gesteld aan de dienst of het product dat ze levert. De casussen zijn levensecht, want dat zijn de patiënten voor de balie. Het is de meest integrale vorm van leren, want steeds moet de complete taak afgewikkeld worden. De student bereidt zelf voor,voert uit met verstand, bedenkt of het goed was (in gesprek met de opdrachtgever) en doet het morgen nog een keer, maar dan beter. In het werk moet de student de verbinding kunnen leggen tussen casus, werkmodel en Theorie. De uitvoering van de beroepstaak als geheel wordt beoordeeld.
Integrale leerlijn: projecten en simulaties
Deze leerlijn heet 'integraal', niet omdat het gaat om het integreren van kennis, vaardigheden en houding, want dat gebeurt in elke leerlijn, maar omdat het ook hier gaat om de complete beroepstaak die wordt uitgevoerd en beoordeeld, van zelfstandige voorbereiding door de casus te analyseren en bruikbare werkmodellen te zoeken of te maken vanuit de Theorie, via uitvoering tot aan reflectie en verantwoording vanuit de Theorie. In deze leerlijn leveren de studenten ook de meest complete en tastbare producten op: een voorlichtingskist voor preventie van cariës, een maquette van de nieuwe ontvangstbalie, een workshop over omgaan met diversiteit in de tandartspraktijk. En ze kunnen uitleggen waarom hun product gaat werken.
Het gaat om unieke producten. Elke uitvoerder zal met zijn eigen oplossing komen. Dat is het kenmerk van projectmatig werken. Het gaat om beroepsproducten die eenmalig opgeleverd worden. Vaak wordt de integrale leerlijn gezien als de onderwijsvorm waarbij er altijd in groepjes wordt gewerkt. Dit hoeft niet. Ook in zijn upje kan een student leren zelf het werk te plannen en bronnen te raadplegen.
In deze leerlijn werken de studenten ook in simulaties van de beroepswerkelijkheid. In de lokalen is bijvoorbeeld een complete tandartspraktijk nagebouwd waarin alle handelingen rond en aan de patiënt uitgevoerd kunnen worden. (Op simulaties wil ik in een later artikel nog terugkomen.)
Conceptuele leerlijn: cursussen
Hier gaat het om een deel van de beroepstaak, namelijk het kunnen uitleggen waarom je iets doet op de manier die je hebt gekozen. De kleine t en de grote T komen bij elkaar. Een student, ook op mbo-niveau, mag niet wegkomen met het antwoord ‘Dat hoort nu eenmaal zo’. Het domweg in de juiste volgorde uitvoeren van een reeks handelingen maakt van een professional een inflexibele robot, die direct op tilt slaat als er iets onverwachts gebeurt.
Het uitgangspunt van deze leerlijn is dat de student de uitvoering kan voorbereiden door het juiste werkmodel bij de casus te kiezen en te verantwoorden waarom hij voor deze aanpak heeft gekozen. Ook achteraf moet een student kunnen beredeneren waar een bepaalde uitkomst uit voort gekomen is, zodat hij een in het vervolg een fout kan voorkomen.
Soms zie je in cursussen een eindeloze reeks van casusjes die steeds op dezelfde manier bewerkt moeten worden, maar daar leert een student maar weinig van. In een cursus is het voldoende om een klein aantal uitdagende casussen te bewerken om zo vanuit de Theorie begrip te krijgen voor het werkmodel. Wie een keer een voorlichtingsgesprek met een diabetespatiënt heeft voorbereid en heeft kunnen beredeneren waarom het zo moet, kan ook een gesprek met een nierpatiënt voorbereiden.
De focus van de beoordeling ligt op het kunnen beredeneren.
Vaardighedenlijn: oefenen in een training
Op deze leerlijn horen opdrachten thuis waarmee vaardigheden geoefend kunnen worden. Dat kunnen motorische vaardigheden zijn zoals het juist hanteren van de bloeddrukmeter of het geven van een injectie, maar ook bijvoorbeeld gespreks- of schrijfvaardigheden. De nadruk ligt hier minder op het beredeneren van het werkmodel en voornamelijk op de uitvoering. Handelingen hebben in een training de kans om ingesleten te raken. Hier is het essentieel dat de docent goed demonstreert en corrigeert. Om bepaalde praktische vaardigheden goed te leren moet je nu eenmaal heel vaak de leercyclus doorlopen en het steeds een volgende keer wat beter doen.
Studieloopbaanplanning
De studieloopbaanplanningslijn (SLP) moet een goed begeleidingsarrangement voor de planning van de studie- en leerloopbaan bieden. Uit het leren in de andere leerlijnen komen vragen naar boven over bijvoorbeeld de rol van een student in projecten. Als het voorzitten niet goed gaat of het plannen van activiteiten, dan moet dat besproken worden. Ook het kiezen van een stage is een belangrijk onderwerp in deze lijn. Idealiter kan een student binnen zijn opleiding kiezen uit verschillende projecten en cursussen in aansluiting op zijn leerbehoefte. In de praktijk blijkt het moeilijk dit te realiseren.
En hoe maak je nu een leerplan?
Heel simpel gezegd pak je een kwalificatiedossier of een beroepsprofiel, hakt de kerntaken in onderdelen die je als geheel wilt examineren en bepaalt vervolgens op welke leerlijnen je deze taken moet uitzetten zodat studenten ze goed kunnen leren. Je gaat je dus afvragen om welke leerdynamiek zo’n taak vraagt. Sommige taken moeten zowel als een geheel aangeleerd worden omdat er verschillende werkmodellen vanuit verschillende Theorieën bij elkaar moeten komen. En hebben daarnaast nog praktische oefening nodig. Bijvoorbeeld ‘het zelfstandig uitvoeren van tandheelkundige handelingen’ zal zeker in de vaardighedenlijn geoefend moeten worden, maar heeft ook een conceptuele ondergrond nodig.
Bij het opstellen van een leerplan zal een opleidingsmanager samen met een team docenten voor elke taak moeten bepalen met welk soort opdrachten de taak het beste geleerd kan worden. Vervolgens is het aan de docenten om deze opdrachten uit te werken in studiehandleidingen voor projecten, cursussen en trainingen.
Of dit model slaagt, hangt natuurlijk van heel veel voorwaarden af, waarvan de kwaliteit van de docenten de belangrijkste is, maar ik ben ervan overtuigd dat je hiermee goed onderwijs kunt maken.
Wie belangstelling heeft voor een overzicht van de leerlijnen en het soort opdrachten dat daarbij hoort, kan dat bij mij aanvragen.
Ik baseer me in dit artikel op het ontwikkelwerk van de BDF Adviesgroep. Ik heb de afgelopen maanden behoorlijke intensieve coaching gehad van Marjolein Ploegman, die veel meer ervaring heeft met het implementeren van dit model.